Geveld door een of meerdere bacteriën lig ik de hele week al te klappertanden van de koorts. Even stond ik op het punt om de hoofdredacteur te bellen met de mededeling dat de lezers het een weekje zonder mij moesten doen. Maar toen ik hoorde dat Maarten van der Weijden kotsmisselijk en wel weer een of andere stinksloot ingedoken is om zijn zwemtocht van 17.200 kilometer af te maken dacht ik: wie ben ik dan om klam onder de wol te blijven bibberen?
Doodziek doorwerken is geen enkel probleem en door mijn hoofd zoemden de namen van collega-patiënten die ook nooit afhaken. Gianni Infantino, zijn vriendje Donald Trump, de Britse prins Harry, diens vrouw Meghan Markle, de heer Poetin, de bemanning van het Amerikaanse vliegdekschip USS Abraham Lincoln, de Joodse treiterkolonisten en zo zou ik twee pagina’s door kunnen gaan.
Maandagochtend voelde ik me nog kiplekker. Hoewel dat gezien de situatie van het Nederlandse pluimvee in de martelkamers van de bio-industrie een redelijk achterhaalde uitdrukking is. Maar maandag was ik dus nog fris & vrolijk toen ik mijn driejarige kleindochter naar de Renaissanceschool van de knettergekke Thierry in Almere bracht. Ik verwachtte een overvol schoolplein met allerlei zenuwachtige vaders, moeders en opgewonden grut. Maar het was er angstaanjagend stil. Ik dacht eerst dat we te laat waren. Dat vroeg ik netjes aan de directeur. In het Latijn uiteraard. Maar deze onzekere snor begreep me niet. Ik drong aan om Latijn met mij te spreken. Beter voor mij, beter voor hem en zeker voor mijn kleindochter. Waarop zij aangaf dat ze liever oud-Grieks sprak. Toen begon de rechtse snor raar te bazelen over het feit dat ze daar pas na de basisschool mee beginnen.
“Maar jij spreekt dat toch wel?”, lachte ik de zenuwsnor vrolijk toe. Maar hij had alleen zijn rijbewijs. Wel een groot rijbewijs zodat hij de schoolbus kon besturen.
Ik wilde met mijn kleindochter de school in lopen om met haar de beloofde kaart van Nederlandsch-Indië te bekijken. Zij kan namelijk alle eilanden probleemloos aanwijzen en foutloos opnoemen. Ik vroeg aan de directeur of hij ze eerst even wilde opdreunen. De snor riep: “Java, Sumatra…” Daarna was het pijnlijk stil. Mijn kleindochter rondde het af met Borneo, Celebes, de Molukken, de kleine Soenda-eilanden, de Riau-archipel en Bangka-Beitung. Toen de snor dacht dat ze klaar was schaterde ze Sulawesi, Bali en Lombok er ook nog even uit. In de hal hing de met veel bombarie beloofde kaart er nog niet.
Daarna vroeg ze of ze het prachtige lied Pie Jesus mocht zingen terwijl ze zichzelf op de in de school aanwezige kindervleugel begeleidde.
De snor vroeg of dat van Bach was. Lang geleden dat ik een peuter zo hard hoorde lachen. Ze had meteen geen zin meer en fluisterde: “Je laat me toch niet bij dit analfabete spul achter? Hier hou ik het geen jaren vol!”
Ik legde haar uit dat ik haar alleen maar mee had genomen om een beetje te lachen. Voor mijn wekelijkse stukje in de krant.
“Kindermisbruik”, foeterde ze, “je bent ziek! Doodziek!”
Gister zat de kleine aan mijn bed en vroeg ze of een column ging lukken. Ik zweeg. Ze opperde dat ik iets kon zeggen over die Belgische prins Clément, die door zijn vader grootmoedig is erkend en dat onze Oranjes daar iets van kunnen leren. De opa van onze koning had er in zijn bronstige jaren toch ook een stuk of wat de wereld op gefietst? Waarom zaten die in een of andere schimmige doofpot? Ik keek haar aan en zei dat ik daar volgende week wel weer iets over ging zeggen. Nu had ik even andere dingen aan mijn koortsige kop.
Opeens vond ze het jammer dat ze niet op de school van Thierry zat. Daar was ze tussen die Forum-types al snel de slimste geweest.
Waarop ze lachend vroeg: “Zal ik teruggaan? Ze kunnen nog best wel wat volk gebruiken”.